donderdag 15 maart 2012

Onze coffeeshops.

Dit is geen blog ter promotie van het cannabis-gebruik. Hier beschrijf ik een persoonlijke kijk op ons nationale fenomeen, de coffeeshop, dit land waar Nederwiet al eeuwen staat en stond, die de weg naar de mond van menig melk- en geldboer vindt en vond. Wel veranderden de politieke winden, die over onze cannabis-akkers waaiden. Momenteel lijkt Bruin I een gure cannabijstijd te hebben ingeluid. Een goed moment voor wat warmte, dunkt mij.

Terug in de tijd:
Einde 2000: Kabám! Acht jaren samenzijn en samenwonen gaan voor mij voorbij. Vive la liberté, pepé! Samenwonen met boodschappen doen op zaterdag en op de rugleuning een kat verruil ik voor het minder ingesleten, soms nog onbetreden pad.
11 september 2001: Karèsh! Twee torens donderen in elkaar. De gong voor de volgende duizend jaar? "Tabasco" heet het cabaret-duo dat Sander en ik begin dat jaar zijn gaan vormen. Op 'nine-eleven' kijken we samen naar de nieuwsberichten over de Twin Towers. Indertijd blowt Sander al, of nog (we hebben elkaar te lang niet meer gezien en gesproken), ik rook dan nog niet, ook geen joints.

De televisie in de grote keuken van het voormalige klooster, waar mijn woongroep huist, staat aan, de deur naar het dakterras open. Er mag worden gerookt in deze gedeelde ruimte, maar liefst ondertussen goed gelucht. Het zonnige weer laat dat nog prima toe. In schril contrast daarmee de killie beelden op het scherm.
"Pass mij die joint eens," zeg ik tegen Sander, bij me op bezoek.
"Weet wat je vraagt, hè?" waarschuwt hij mij en houdt hem bij zich.
"Dat doe ik. Pass nou maar."
"Niet dat ik later het verwijt krijg dat ik jou cannabis-verslaafd heb gemaakt."
"Nee, dit wil ik zelf," steek ik mijn hand tegelijkertijd uit.
Plagerig houdt Sander bij het doorgeven de joint nog even vast wanneer ik hem over wil nemen. Mijn hand toont duidelijk mijn verwarring. We lachen. Dan hebben mijn duim en wijsvinger de tip vast, een uit de kleinste dummy gescheurde lege bladzij, origamisch opgerold tot een filter. Iedereen maakt weer een andere tip, leerde ik later. Het wordt op een asbak vaak gebruikt als herkenningspunt.
Die zelfde nacht, in een snackbar, breng ik met mijn lachkick Sander, personeel en enkele klanten méé aan het lachen. Om niets. Of ja, àlles is dan potentieel grappig.
Potentieel, hahaha!
Bijvoorbeeld.
En niets kan het lachen stoppen. Alle impulsen, extern en intern, verergeren de drang alleen maar. Maar na enkele rekkende, stuiptrekkende minuten zakt de schik en dim ik, nog nalachend om het gebeurde.
Eindelijk weer fatsoenlijk frieten kunnen eten.

De eerste coffeeshop van Nijmegen, als ik me niet vergis zelfs van heel Nederland, is het nu nog altijd fameuze Doornroosje. Die verkoopt hasj en wiet, door de gemeente oogluikend toegestaan, nog voor invoering van het landelijke gedoogbeleid omtrent softdrugs.

De eerste shop waar Sander mij mee naartoe brengt, is de Kronkel.
Aan het begin van de eeuw is dit nog een coffeeshop met geverniste houten stoelen en tafels, de bijna onmisbare pooltafels en op de binnenplaats een grind-terras met rieten stoelen en wat wietplanten van het huis. Bij een zakenman glijdt een stropdas van zijn hals af. Hij lijkt bevrijd, kijkt licht beschaamd, neemt een lange vloei, die de Kronkel in een opstaand plateau voor haar bezoekers op de bar heeft geëtaleerd, maakt een tip en bestelt een cappuccino bij barvrouw Anneke. Een dakloze vrouw vindt er een moment van rust op haar almaar wandelende dag. Hier kan zij de thee betalen en krijgt later een glas water, en als ze wil een tweede. Hier kijken ze haar niet laatdunkend aan.

"In de eerste jaren mochten hier nog gewoon kinderen en huisdieren binnen," vertelt een kunstschilderes van boven de zestig mij in Dakota, één van Nijmegen's oudste shops. "Als je daar nu aan terugdenkt, met het huidige rookbeleid, kun je jezelf wel eens voor je hoofd slaan. Dat we toen zó met onze kinderen omgingen."
Goed, dat we onze kinderen niet aan schadelijke rook moeten blootstellen (uit onze uitlaat- en schoorsteenpijpen eveneens!), wie is daar op tegen?
De coffeeshop verandert mee met de tijden.

Zo leer ik, al shop-shoppend, de coffeeshop kennen, die eerste jaren die ik blow: stukjes niemandsland, of iedersland zo je wil. In sfeer vergelijkbaar met een café in een hostel, waar je dan ook nog blowen mag. Mensen van ver en verderop vinden hier vertier, de seniore buurman eet er zijn dagelijkse tosti en de coffeeshop trekt daarnaast menig kunstenaar aan. Die veelkleurigheid aan mensen, de vanzelfsprekendheid van bij elkaar aanschuiven en dit alles onder het genot van dat gedoogde geestverruimende goed. Kan het nog beter?

Niet veel later volgt bij de Kronkel het nieuwe deurbeleid: tussen de deal-desk en het café-gedeelte komen toegangspoorten te staan. Onder andere vanwege veel klant-tegenstand wordt de Kronkel's nieuwe vinger-scan gelukkig niet de enige manier om binnen te komen. Dit alles gaat gepaard met een grote verbouwing en stijlverandering. De nieuwe weg wordt "Mood and Food", het gemoedelijke hout verruild voor strak design. Ineens is er een doelgroep, lijkt het wel: de jonge, frisse blower met een prettig gevulde portemonnee. Niet per se mijn kopje thee. En zeker een koerswijziging.

Gedurende de voorbije jaren heeft een groot aantal shops vergelijkbare metamorfoses ondergaan, vaak onder invloed van (hihi!) het veranderende politieke beleid. Zoals het algehele rookverbod in openbare ruimtes, wat in sommige coffeeshops voor vreemde praktijken zorgt:
"In de nieuwe rookruimte mag je roken en blowen, hier aan de bar mag je alleen blowen," legt Nicole in coffeeshop het Wonder een nieuwe klant geduldig, voor haar voor de tigste keer uit.
"En als ik nu een joint van alleen tabak maak?" wil de klant het beleid begrijpen.
"Controleurs mogen jouw joint niet openmaken en blowen mag wèl in een coffeeshop. Voor gewoon roken hebben we nu dus de aparte rookruimte."
Het is ook niet te begrijpen, om nog maar niet te schrijven over de zogeheten criminele achterdeur, waar de drugs de shop binnenkomen, en de gedoogde voordeur.

Wat mij op mijn tocht van shop naar shop opvalt, is dat veel medewerkers, vaak de eigenaren van de coffeeshops me iets zeggen in de strekking: "Van een paar kopjes thee per dag omzet kom je niet rond. We zijn geen opvangcentrum. We zijn een commercieel bedrijf."
Natuurlijk zijn dit legitieme argumenten en ik misgun niemand iemand's centen, zolang dat geld bestaat. Coffeeshops trekken een breed publiek. Ontegenzeglijk is een deel daarvan de wat afhankelijkere medemens, die vaak iets minder te besteden heeft; of nog jong, of zonder huis, alleen thuis, het vaderland ontvlucht, noem het maar op.
Mag het dan geen taak heten dat Nederland dit publiek ook uitgaansgelegenheid biedt? Tot nu toe zijn we daarin wereldwijd juist uniek, al lijken onder andere verschillende van de Verenigde Staten ons nu in te halen met hun cannabis-beleid.

Het Nederlandse drugsbeleid veroorzaakt al tegenwind voor coffeeshops onder het Balkenende-bewind en die is onder Rutte alleen maar toegenomen. Moet gezegd; het past in de lijn van zijn verdeel-en-heers-politiek, niet in de minste plaats door zelf gedoogd te worden. Wie gedoogt wie, vraag ik me tijd op tijd af. Hoeveel vrijheden laten we ons nog afnemen? In ruil voor wat? Veiligheid? Ik heb niemand óóit een ander veiligheid zien kunnen géven. Veiligheid zit in ons, beleef je slechts in vrijheid. Voor partijen met zo vaak Vrijheid en Democratie in hun vaandels geweven, wordt er wel héél veel verboden, gevolgd en voorgeschreven.

In tijden dat een kabinet steen en been klaagt over de groeiende criminaliteit maakt dat haar drugsbeleid des te moeilijker te begrijpen. Vooraleerst berust het zwaar op vooroordelen. Zo hoorden we onlangs uit monde van een CDA'er bij Pauw en Witteman de feiten weer grif door elkaar gehaald gebruikt worden, tegen dat monster hasj en zijn geniepige neefje wiet -en hoe crimineel dat die je maakten. De degelijk onderbouwde tegenargumenten van een andere gast veegt hij desondanks van tafel, als een bruikbaar metafoor voor Bruin I's huidige houding.
Daarnaast maakt men te vaak de fout drugs en criminaliteit over één kam te scheren. Echter, in onze internationale rechten van de mens staat geschreven:

Een ieder heeft het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon.

Daaruit valt te lezen dat het jouw persoonlijke vrijheid is welke drugs jij gebruikt, zolang je geen andere personen daarmee schaadt. Zou iemand kwaadaardige daden plegen, dan komt op dat moment onze wetgeving omtrent criminaliteit om de hoek kijken en wordt aan de hand daarvan de wandaad be- danwel veroordeeld. Drugs hóéven niet verboden te worden. Een kind kan begrijpen dat hoe meer je verbiedt, hoe meer er crimineel (genoemd) wordt.
Om nog niet te schrijven over het groeiend aantal wetenschappelijke artikelen dat juist genezende of verzachtende werkingen toedicht aan de werkende stoffen in cannabis en hasj. Veel mensen die ik ken met een drukke geest (welke etiketten de psychologie daar op plakt!) zweren bij een jointje, prefereren die duizendmaal boven iets chemisch als ritalin. En hoe vaak en graag komt Thea C. tegen haar reuma even een rokertje en een babbeltje doen in haar stamshop?

Kortweg: THC, één van de werkende stoffen in hasj en wiet, is een geestverruimend middel, alcohol geestvernauwend. Cannabis mag vanaf het achttiende levensjaar gekocht worden, alcohol vanaf het zestiende. Coffeeshops mogen geen reclame (= propaganda) maken, daarentegen heeft de overheid schoorvoetend aan haar morele verantwoordelijkheid gehoor gegeven en onlangs alcohol-reclame (= propaganda) alleen later op de avond geoorloofd gemaakt. In provisorische bierkotten comazuipt ondertussen een generatie zich vuvuzela'end van de kaart. Wat een geld en macht zal zorg en staat uit deze schare jongelui vergaren! Welke wellustige, gesponsorde politicus, houdt zo'n trend tegen? Wie mag hun geld, wie mag ze straks verplegen? Nee, dan liever toch het geestverruimd gespuis te lijf!

Al dan niet tegen wil en dank vervult de coffeeshop volgens mij een belangrijke sociale taak in onze samenleving. Ik vind het dan ook moeilijk te begrijpen dat de (verenigde) coffeeshops dit argument niet steviger omarmen in hun strijd om hun zelfbehoud in ons straatbeeld. Menig medemens zal haar of zijn heil letterlijk op straat moeten vinden, wanneer de shop uit dat beeld verdwijnt. Het mag dan geen zorg-instelling zijn (de goden zij dank!), een coffeeshop-medewerkster geen maatschappelijk werkster, welke doorgewinterde horecaheld weet niet hoe belangrijk het luisterende oor is in dit vak? Wat dat betreft lijkt me nu een uitstekend moment de coffeeshop- en andere horeca-medewerkers een flinke opsteker te geven, juist voor hun zorg en broodnodige aandacht voor hen die die anders tekort zouden komen. Dat we er nog veel op mogen steken.
Vive la liberté!



pepé: lettermenger.

3 opmerkingen:

  1. Leuk getypt en ook nog de waarheid dat lees ik graag.En ja de coffeechop heeft ook een sociale taak.Ben persoonlijk blij dat ik er regelmatig naar toe kan anders zat ik nog meer alleen thuis.
    Zou denk ik dan mooi contact gestoord worden.
    Met vriendelijke groet Oscar.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Tof om te lezen, Oscar. Dank!
      Op de blijvende openheid van de coffeeshop!

      Groet uit Nijmegen,

      pepé

      Verwijderen
  2. leuk stukje
    Ben het ermee eens,
    Ik als niet-blower vind het gewoon gezellig om af en toe een bakkie te doen en een krantje te lezen.
    Dat doe ik hier in de lokale coffeeshop, gewoon voor de gezelligheid.
    Dat mag straks niet meer want ik krijg geen wiet pas omdat ik niet blow, dus geen omzet voor de coffeeshophouder.
    Nederland is hard op weg om een politiestaat te worden.
    Jammer.

    BeantwoordenVerwijderen