Posts tonen met het label kwak. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kwak. Alle posts tonen

dinsdag 28 oktober 2014

kwak & meer




O










"nijmegen > gennep > nijmegen"
vide'O v'van'deling
in II delen ivm yOutube restriXies:

± rOute






jOris demmink graffiticOrreXi:

[24 feb 2O13]

[1O Okt 2O14]




wwwtgvis:





stOepkrijt:





"O(schrift-)pOëzie" &/ [c]O:













stazi:





"kwak"
[OOijpOldervvandeling
(fOtO & videO)]:








[gepOste film "kwak" is vRwijder'd'OOr yOutube vanwege "naakt" $ :



o



dinsdag 7 augustus 2012

Kwak II / Anderhalf uur.

Half elf, de voordeur klikt achter mij dicht.
Vandaag met je afgesproken in de botanische tuinen van Nijmegen.
Zoals altijd ga ik, wanneer het enigszins te doen is, graag lopend naar een afspraak toe. Je ziet meer, hebt meer contact met je omgeving èn jezelf, zo heb ik het idee, dan wanneer je fijn ingeblikt je fijnstofjes verspreidt en je je op de autobaan baas boven fietser en voetganger waant.

Dat je dan onderweg dat kastje ziet, waar een Nijmeegse boeken in heeft gezet, die je eruit mag halen om te lezen, zolang je er maar een ander boek voor in de plaats zet.
En dat je vroeg genoeg vertrokken bent om van zulk soort momentjes en plekken foto's te schieten. Elf uur, half twaalf hadden we afgesproken en langer dan een half uur lopen is het niet voor mij.

Lekker babbelen met m'n omgeving en mezelf, of O, of zo. Of ik zing wat, of ben stil.
Dan verwonder ik me weer, vraag me af "Wie zal hier toch wonen? Woont hier wel iemand?"

En dan ineens beseffen, bij het oude Badhuis, Nijmegen Oost, ik ben verkeerd gelopen.
Is er iemand beter in verdwalen in haar of zijn eigen stad, gebóórtestad nog wel, dan ik?
"Nee! Dit zal toch niet?" zeg ik.
Rampscenario's spelen zich voor mijn ogen af, mengen zich in de wandelende werkelijkheid.
"Straks kom ik te laat en is een twééde wandel-afspraak in het water gevallen."
Mijn dolle kompas poogt me zo ongeveer de goede richting in te sturen.

Ik wandel langs het Nijmeegs asielzoekerscentrum, schaam me voor de bouwvallige staat waarin het verkeert (want denk aan Jan van der Meer en aan zijn Waalsprong), zie een jongeman aan de andere kant van het hek een vuilniszak in een container gooien en vraag me af hoeveel stappen we verwijderd zijn van de gaskamers -en waar die zullen staan.

Niet de paden volgend, maar over de grasperken banjerend met een herkenningspunt in het visier, de Groesbeekseweg, is mijn wandelen in snelwandelen overgegaan. Ik trek mijn vest uit, stop het in mijn tas bij de rest van mijn zut en trek mijn eerste sprintje.
"Half elf vertrokken," denk ik hardop terug, "dan zal het nu toch al na elven zijn."
Ik heb geen horloge, bewust niet. En sinds kort ook geen telefoon, maar misschien is dat een tijdelijkere situatie, misschien geef ik me toch weer over aan het gemak daarvan.

Bij de kruising Groesbeekseweg en Heyendaalseweg begrijp ik hoe mijn brein de mist in ging. In plaats van de Heyendaalseweg heb ik de Daalseweg als denk-leidraad genomen.
Ik voel een traan en hoor mezelf jammeren, over tegenslag op tegenslag, hoor mij aan O vragen of het dan heus zo egoïstisch is hoe ik mijn leven invul, of O niet blij is met wat ik voor O doe en ik het eigenlijk alleen uit eigenbelang doe; de stilteruimte, de filosofiewandelingen, het lopen inplaats van fijnstofautorijden, noem het maar op. Of ik tegengewerkt móét worden in mijn doen en nietdoen.

"Zou ze boos zijn? Zou ze geloven dat ik ben verdwaald? Ze kent me wel al lang. Maar de vorige keer dat we zouden wandelen ging er ook al iets mis. Wat ookalweer?"
Ik hoor je in gedachten zeggen: "Dan is het toch wel jammer dat jij geen telefoon hebt," en ookal is het slechts een gedachte, ik voel er de pijn van.
"Sorry," denk ik tegen je, "ik wist al niet zeker of ik jouw geduld van het wachten nog wel waard was. Ik heb je vast vaak en veel pijn gedaan met mijn doen en nietdoen. En dit is inderdaad de zoveelste keer, wat voorkomen had kunnen worden als ik zo'n KUT-teleFOON had gehad, ja!"
Dat laatste zei ik denk ik weer hardop.

Sommige stukken van de Heyendaalseweg ren ik, ik loop voorbij de zo te zien ook door een nazi ontworpen universiteitsgebouwen, waar de 1% slimste mensen van het land opgeleid worden geld binnen te harken met de expertise op eigen vakgebied, word gekruist op mijn pad door één van deze kapitaal-robots, die zonder ook maar één moment om zich heen te kijken voor mij langs loopt: hoofdtelefoonzeepbelgrijzehersencellen.

De tuinen zijn nu dichtbij.
Maar aan welke ingang dan sta jij?
Dat hadden we niet afgesproken.
Meer wanhoop zakt mijn schoenen in, maar mijn pas vertraagt er niet van.
Ik kijk om me heen of ik je auto al niet ergens zie, of jou, maar nee.
Als ik aan de rand van de tuinen ben, hoor ik kerkklokken slaan. Het klinkt als twaalf uur.
"Nee! Zó laat al?"
Anderhalf uur hierover gedaan?
Dan ben je vast alweer vertrokken.

De lucht is inmiddels bétrokken.
"Ja," zeg ik ertegen, "dat zou het wel compleet maken. Dat het nu met bakken uit de lucht gaat vallen. Kom op, O, werk mij tegen, maak mij kapót!"
Een paar keren roep ik hard jouw naam, terwijl ik enkele van de ingangen controleer of jij daar toevallig nog staat, maar nee.
Dus loop ik terug naar huis.

Ben ik bij treinstation Heyendaal, is er de eerste klok op mijn pad waarop ik de tijd lezen kan.
"Kwart voor twaalf?"
Wat sloeg die kerkklok bij Arcadië dan?
Dan moet het ongeveer half twaalf geweest zijn toen ik aankwam. Maarja, om nu nog terug te gaan zal weinig uithalen, zeker te voet zal het alsnog twaalf uur zijn en dikke kans dat jij er niet meer bent.
Hier besluit ik ook dit pad te zullen gaan beschrijven.

Teruglopend over de Groenewoudseweg zie ik dat er aan één van de huizen wordt gewerkt door een Tsjech. Tja, ook waar het geld zit, is de crisis te voelen, en waarom een Nederlander betalen wanneer een Tsjech het voor minimaal de helft doet? Zouden ze dan weer wèl op de PVV stemmen? Kan zomaar. Geef ze de kost die zo leven...

Bijna thuis.
Iemand heeft op straat een schoen achtergelaten.
Waar is de andere en hoe is diegene thuisgekomen?

"Eén voordeel: het is wèl drooggebleven," zeg ik, draai het deurslot open, loop mijn kamer binnen, stuur jou een email en schrijf dan het pad van me af.
Ik kijk op de klok. Vlak na twaalf uur.
Anderhalf uur.
Kwak.


pepé: lettermenger.

zaterdag 17 september 2011

Kwak.

"Goed, hier plof ik neer," zei ik in mezelf en voegde de daad bij de gedachte.
De eerste dag als zogenoemde werkeloze was een feit, na opzij gezet te zijn door mijn laatste werkgever tot nog toe. Het was een particulier bedrijfje dat kortverblijfopvang aanbood, gericht op kinderen en jongeren met een verstandelijke achterstand of beperking, welk woord je er ook aan geven wil.
Een trauma rijker dankzij mijn voormalige baas èn de zijne vond ik het een goed moment om eventjes met mijn kont op de grond niets méér te doen dan mijn kont op die grond te houden en fijn de naderende lentebries dóór de februari-kou heen te ruiken.

Het Kronenburgerpark in Nijmegen was in dat seizoen niet druk. Sterker nog, toen ik er op die dag neerzat, was ik de enige. De enige mens, want de eenden waren de ware en vaste bewoners van het park. Ze lieten zich de menselijke aandacht welgevallen voor zover het hen beviel. Een enkeling had zelfs alle angst of gêne opzijgeworpen en wilde met haar of zijn lange hals maar altegraag wat in je tas rondsnavelen. Op die manier kende ik de Kronenburger-eenden.

Ik keek voor mij uit, haalde rustig en diep adem en liet het woord "werkeloos" nog eens -en nóg eens tot me doordringen. Een economische positie waarin ik mij nog nooit had bevonden in die zesendertig jaren die ik leefde. Werkeloos. Zo had ik mij nooit gevoeld. Zo voelde ik mij op dat moment ook niet. Opgejaagd, als een eend, ja, zo voelde ik mij wel.
Wat verlangde die samenleving, de goegemeente nu van mij? Dat ik aardbeien ging plukken? Ach, als kind had ik dat al een blauwe maandag gedaan -en als dat het enig mogelijke bleek, zou ik zeker buigen voor de zomerkoninkjes en ze stuk voor stuk plukken. Maar vermoedelijk was ik te duur.

Een schrijver, dat was wat ik was. En een eigenwijze. Beide buiten kijf.
Wie had toch het recht mij in andere rollen te willen zien, puur en alleen omdat ik mee belasting moest betalen? De samenleving, scheen. Daarin stond ik niet alleen...
Met schrijven verdiende ik geen geld. Maar;
"Geld, geld, geld,
ôh als ik het had dat geld,
dan riep ik:
'Hoeveel kost die zeilboot?'
'Twintig mille.'
'Wat een schijntje zeg!
Nee, hij hoeft niet worden ingepakt,
want ik vaar er meteen mee weg
naar de Rivieira,
naar de Rivieira."
Annie M.G. Schmidt. Ik had alleen in die zin wat met geld, dat ik het allergraagst afgeschaft zag. Dat maakte het dan ook een veelzijdige uitdaging, mijn werkeloze positie: niet te willen teren op iemand anders' inkomen en tegelijkertijd een weg zien te vinden naar een maatschappelijke verandering, eentje die al in gang gezet was, een, bah-bah, "nieuwe-tijd" waar ik geen betere uitdrukking voor had, maar waar mijn onderbuik, mijn wezen van aanvoelde wat het betekende. Daarbij hoorde geld, in deze vorm sowieso, niet. Het was bijna een spagaat waarin ik stond, maarnee, ik zat in kleermakerszit, op gras, met lekker warme kleren aan.

Als de hieraan voorafgegane tien jaren tien minuten waren, dan begon die tijdspanne ná het breken van een acht minuten durende liefde. Vrijgevochten lustte ik het leven rauw die eerste minuut daarna -en propte alle vruchten die voorhanden kwamen gulzig in mijn mond, tot na anderhalve minuut twee vliegtuigen Amerikaanse dromen in duigen deden vallen -en de mijne op hun grondvesten schudden.
Voorheen wars van drugs werd ik prompt een blower. Ik zocht en vond nieuw werk en een nieuwe woning en trof daar een Medusa aan wier gif mij haast fataal werd. Toch stond ik op en liep door.
Werken voor een bank, ik? Wie had dat ooit gedacht?
'If you cannot beat them, join them,' gaf ik inhoud aan dit lot -en na drie minuten legde een kleine David het vuur aan de schenen van de grote Goliath, die één keer nieste en daarmee al de vlam uitblies. Goliath had mij nu alleen gezien en maakte mij zo goed als hij kon het leven zuur, met targets, protocollen, beoordelingen en meer van zulks, de duimschroef almaar steviger aandraaiend.
In de achtste minuut draaide de wind; de kredietcrisis begon. Ik vond die eerder genoemde werkstek in de zorg. Na al deze tijd bankklerk geweest te zijn, werd ik niet, nee niet ingewerkt meteen alleen op een groep kinderen gezet. Een halve minuut later wees ik mijn baas, met het zweet in mijn handen, op de oversekste pedo's en andere gevaarlijke gekken uit het nieuws en vroeg hem om bescherming, niet alleen van de kinderen, ook van mij.
"Jij overdrijft," zei hij.
Misschien was me al teveel gebeurd, met ook een afscheid richting mijn makers en een vaarwel naar háár die van mij een vader had kunnen maken, waarmee ik enkele minuten universeel liefhebben had mogen ervaren en die me toch niet zozeer liefhad als dat ze mij die tijden zei. Teveel om ook van overdrijven te worden beticht, al helemaal in deze. Uitgeput bleef ik thuis en baas wilde mij niet meer terug.

Stop de tijd, plof, op het Kronenburgerparkgras, nog beduusd van wat gebeurd was, de tienminutenmarathon uitgelopen en beseffend dat ik nog bij lange na -inshallah- niet bij de finish was aangekomen, duizelde het mij van dit verleden en de nu te plukken mogelijkheden.
Zo zat ik daar, één van de eerste februaridagen in het jaar, half opgejaagd, mijn eigen adem pogend te bedaren met wat staren, toen ik links van me ineens een hele groep eenden liggen zag, op dat gras, de buitenste nog net niet tegen me aangeschurkt. Ze moesten hier zijn gekomen tijdens mijn tienminuten-dromen. Hun vertrouwen in mij ontroerde mij en leek me te willen zeggen: "Niets meer dan dit. Zit."
De zon brak door, heus waar, en het werd zelfs lekker warm.

Wat verderop, de heuvel af, wandelde over het pad een grijze man. Hij en ik de enige mensen in het park, in mijn roes van de sprekende omgeving, werd hij mijn oudere evenbeeld. Hij nam de tijd voor elke stap, als hij de tijd al aandacht gáf, en leunde daarbij op zijn stok. Hoe moeilijk deze man ook liep, hij bukte zich en raapte een chipszak van de grond, gooide die later in de prullenbak die een paar passen verderop stond. Geen enkele keer keek hij op naar mij, misschien was ik wel ongezien, maar deze ene oude man bracht een rust inzicht voor meer dan tien. Ik zuchtte, ademde 't voorgaande uit, voelde mij na lange tijd weer eens leeg -en de eenden vlogen op richting de vijver.

[wordt vervolgd]